
Keniaanse goudzoekers.
Daar zijn ze weer, de Kenianen. Goud en brons op de 1.500
meter, goud en zilver op de 3.000 meter steeple. Geen enkel ander land
verzamelde sinds 1964 zoveel olympisch eremetaal op de langere loopnummers: met
gisteren erbij al 46 stuks. En dan boycotte Kenya nog de Spelen van Montreal en
Moskou, wat een hele generatie op de afvalhoop deed belanden.
Het meest indrukwekkend was de Keniaanse dominantie in 1988 in Seoul, waar ze
800, 1.500, 5.000 meter en de steeple wonnen. Liep er nog iemand anders mee? De
hindernissenkoers is intussen zelfs uitgegroeid tot een exclusief Keniaans
evenement.
Kenya won vier olympische titels en vijf wereldkampioenschappen op rij en houdt
ook al sinds 1978 het wereldrecord. Nooit gezien: alle tien snelste tijden op de
steeple zijn Keniaans. Op grote kampioenschappen stonden dan ook meer dan eens
drie Kenyanen op het podium. En als er meer hadden mogen meedoen, hadden we in
de finale allicht vaak een uitsluitend Kenyaans veld gehad.
In Sydney wilde alle medailles pakken net niet lukken. De drie Kenianen
hinderden elkaar voorbij de laatste hindernis, zodat de Marokkaan Ezzine de
tiercé nog in de war kon sturen. Uiteindelijk won Reuben Kosgei, de jongste en
lichtste van de drie. Wereldrecordhouder Barmasai, die ooit nog op blote voeten
debuteerde in het Europees circuit, viel net naast het podium.
En wereldkampioen Christopher Kosgei mocht niet eens meedoen. Hij werd te licht
bevonden op de Kenyaanse trials, waar telkens weer een roedel jonge honden klaar
staat om de vedetten weg te lopen.
Allemaal willen ze kampioen worden om fortuin te maken op de Europese meetings.
Kip Keino, Yobes Ondieki, Moses Kiptanui, Daniel Komen zijn ronkende voorbeelden
maar in Kenya zijn ze niet zozeer bekend om hun medailles dan als goudzoekers.
Neem Daniel Komen, die drie jaar geleden wereldrecords op 3.000 en 5.000 meter
liep. In dat ene jaar verdiende hij naar verluidt twintig miljoen frank, een
vermogen in het arme Kenya.
Hardlopen lukt vandaag ietsje minder want Komen is een gearriveerde burgerman.
Op zijn huwelijk waren 2.500 genodigden. Hij woont in een kast van een huis.
Alleen zijn waterbed kostte al 10.000 dollar en in de kleerkast hangen zeventig
kostuums.
Iedereen in het land van de Nandi kent het restaurant van Peter Rono, het hotel
van Peter Koech en de rode Mercedes van Moses Kiptanui: ze steken kansloze
jongeren de ogen uit. En dus trainen ze zich te barsten om ook snelle lopers te
worden.
,,Waarom jezelf afbeulen als het niet voor geld is'', zegt Moses Kiptanui, de
voormalige wereldrecordhouder op de steeple, aan de jongeren die bij hem stage
lopen. ,,Alles begint met geld. Je kan ervan leven. Je koopt er land en vee mee,
je helpt je familie. Maar eerst moet je een kampioen worden. En de plaatsen zijn
duur.''
Honderden Keniaanse lopers zwerven intussen al de wereld af op zoek naar premies
en prijzengeld. Het zijn sportieve gastarbeiders. Daarom duren de carrières van
toplopers ook zelden lang. Eens de buit binnen, keren ze zonder problemen de
sport de rug toe om zich thuis te wijden aan zaken.
En vaak begint het al voor het einde van hun carrière. Paul Tergat, de enige
man die op de tien kilometer met Gebrselassie kan wedijveren, is in Nairobi druk
doende met import en export. Het bedrijfskapitaal schraapt hij bijeen op de
Europese atletiekmeetings.
Waarom lopen de Kenianen hard? ,,Niet alleen door de hoogte'', zegt pionier Kip
Keino. ,,Dit is een land zonder middenklasse. Alleen door het lopen kan je als
volksjongen ergens raken.''
Sommigen lopen ook wel eens verloren. De roemruchte Henry Rono, de man die ooit
vier wereldrecords tegelijk had, wast vandaag wagens in de Verenigde Staten.
Zijn hele fortuin is opgegaan aan de drank.
© Standaard
© maart 2000. Dit is een product
van Running&Sound
RunningSound@hetnet.nl