Over de Kneet
De vraag zal altijd zijn wie wat als eerste zei
Door Marije Randewijk
AMSTERDAM - Gerrie Knetemann leverde vaak een bijdrage aan het wielerjargon. Niet nadenken en zeggen wat in je opkomt, was zijn devies. Voor je het weet sta je in de Van Dale.
Knetemann leverde bijdrage aan wielerjargon
Ergens in het huis in Krommenie moet het boek liggen dat Gerrie Knetemann ooit schreef. Het is zijn dagboek van het leven, bestemd voor zijn kinderen, voor later. Als hij oud zou zijn en zijn kleinkinderen bij hem op schoot zaten. Maar het mocht nooit worden uitgegeven, omdat hij de goede verhalen in zijn ogen niet vertellen kon. Daarvoor moest je eerlijk zijn en wie is er nu eerlijk in deze wereld? Ook zonder het dagboek laat Knetemann, hij overleed aan een hartstilstand, zijn sport genoeg na. In de talrijke interviews kleurde hij met taalkundige vondsten en treffende metaforen de Nederlandse taal. Hij leverde daarmee zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de wielertaal. Niet nadenken en zeggen wat in je opkomt, was zijn devies. In zijn hoogtijdagen stond hij bekend als Knetemann de Kretenman. Maar niet alles wat hem nu wordt toegeschreven, ontsproot aan zijn brein. De uitdrukking 'het verstand op nul en de blik op oneindig' werd voor het eerst gebruikt door Hylke Speerstra na de Elfstedentocht van 1963. En zelfs Speerstra is er niet zeker van dat hij geen plagiaat pleegde.
Wielerwoordenboeken
Ook de oorsprong van 'de dood of de gladiolen', 'de martelgang van de Kromme Leendert', 'door het ijs zakken' en 'opgebaard over de finish komen' is onbekend. Tonny Eyk zegt geen schrift met data te hebben bijgehouden van de spontane opmerkingen van zijn vriend. Soms schreef hij wat op, soms vergat hij ze ook weer. Liefhebber Jan Zomer gaf in 1984 het allereerste wielerwoordenboek onder de naam Goesting uit, vijf jaar later werd dat Het Groene wielerboekje, woordenlijst van Neerlands Wielertaal. Hij schrijft onder meer de termen snok, harken, uitgewoond en appelig aan de wielerlegende toe. Maar bewezen dat de Kneet deze als eerste bezigde, heeft hij niet, moet ook Zomer toegeven. In 1985 bracht Thomas Rap Het Wielerwoordenboek uit. Inmiddels heeft zelfs Van Dale een eigen uitgave voor de wielerfans, Tour de Grand Van Dale. Maar in geen van de uitgaves wordt een antwoord gegeven op de vraag wie wat als eerste zei.
Klassiekers
Knetemann was zelf de eerste om toe te geven dat hij niet de creatieve geest achter de uitdrukkingen was, hij maakte ze alleen tot klassiekers. Veel jatte hij van zijn vriend en trainingsmakker Joop Rijnink. Veel leerde hij in zijn tijd als stratenmaker. En nog meer wijsheid haalde hij uit de vele boeken die hij las. Het maakte niet uit. Zijn bloemrijke taal sloeg aan bij het grote publiek. Miljoenen luisteraars stemden in de jaren zeventig de radio af op Radio Tour alleen voor de Kneet-story. Zo zorgde hij ervoor dat premier Van Agt zijn kabinet leerde wat 'afzien' was. Wielrennen is emotie en daar hoort geen academische taal bij, oordeelt de Belgische schrijver en wielerjournalist Rik Vanwalleghem. De Belg hield dit jaar voor het Genootschap Onze Taal een pleidooi voor het wielerjargon. Sterke gevoelens hebben volgens hem juist behoefte aan een barokke terminologie, aan woorden en uitdrukkingen die evenzeer tot de verbeelding spreken als de situaties die ze moeten oproepen.Dat de huidige journalisten erfgenaam zijn van voorvaderen die verplicht waren hun literaire talenten te gebruiken omdat ze niets van de koers zagen, zal ongetwijfeld hebben bijgedragen aan het feit dat de wielertaal bloemrijker is dan in elke andere sport. 'De wielerwereld bestaat uit maximaal vijfduizend mensen - een dorp dus - verenigd rond de totempaal van de fiets. Het is een besloten, sociale groep met een gedeelde passie. Daar moet onvermijdelijk jargon van komen', redeneert Vanwalleghem. Knetemann begreep dat als geen ander. Zijn woordenschat was nog vele malen groter dan zijn palmares. Iedereen in de sport is er ongemerkt mee vergiftigd. Het is een mooiere nagedachtenis dan Knetemann zich wenste.
© Volkskrant
dehardloopkrant.nl
®
 |