Archief Fysiek

Gastenboek

Gratis lidmaatschap Inloggen Inschrijven Kalender Start

Uitslagen

Vragen Wedstrijd aanmelden
De poolreis naar Luik

Frits Pirard finishte in memorabele klassieker

Door Marije Randewijk

Renners plasten in hun broek om warm te worden, vanwege bevroren vingers werd er geremd met de polsen: 25 jaar geleden werd Luik-Bastenaken-Luik de grootste overlevingstocht van het moderne wielrennen.

In de achterhoede
Coureurs uit de achterhoede van die koers kijken terug. Het is wonderlijk welke weg herinneringen in het hoofd van een wielrenner soms afleggen. Ze worden gekoesterd, vergeten, verdrongen en uiteindelijk meestal toch maar weer boven gehaald. Jan Jonkers had het helemaal gehad met de wielersport. Twintig jaar lang heeft hij er nauwelijks over gesproken. Wie hem een paar weken eerder zou hebben gevraagd naar zijn herinneringen aan de kou, de sneeuw en de ontberingen op 20 april 1980, zou zeer waarschijnlijk zonder verhaal naar huis zijn gegaan. Maar uitgerekend deze week heeft hij een nieuwe racefiets gekocht, wil hij zijn wroeging vergeten en geniet hij weer van wat hij eens zo leuk vond. Luik-Bastenaken-Luik van 25 jaar geleden? Die herinnert hij zich nog goed: ‘Het was jammer dat in de slotfase nog een groepje bij me aansloot. Anders was ik mooi in de toptien geëindigd.' Jonkers werd zestiende en finishte bijna achttien minuten later dan Bernard Hinault. Frits Pirard bereikte diezelfde dag als laatste van de zes overgebleven Nederlanders in Luik.

Geen angst
‘Was ik negentiende? Van de hoeveel? Van de 21? En dat vindt u goed?', vraagt Pirard verbaasd. Hij begrijpt er niets van. Willen we dan niets weten van Luik-Bastenaken-Luik van 1981? Die staat hem veel beter voor de geest. Dat jaar werd hij tiende en haalde hij in verschillende kranten het wedstrijdverslag. Toch was een negentiende plaats op 20 april 1980 een uitzonderlijke prestatie. Hinault zelf is altijd de eerste om dat toe te geven. De Fransman deed iets bijzonders, wordt daar ook nog voortdurend aan herinnerd, maar de andere coureurs leverden misschien wel een grotere prestatie. ‘Zij hebben alle ellende nog langer moeten verdragen dan ik. Van hen wordt niet gezegd dat zij iets groots hebben neergezet en zij toonden toch ook dat zij echte coureurs waren, mannen die geen angst kennen.'

Heldentocht
Het regende die ochtend pijpenstelen bij de start. Het was de voorbode van de slijtageslag die het peloton die dag onderging. Want al bij de eerste beklimming gingen de druppels over in dikke sneeuwvlokken. Een gewone wielertocht werd een heroïsche poolreis. Frits Pirard wil er vanaf zijn, het kan tien kilometer geweest zijn, misschien waren het er twintig. Maar hij weet nog dat hij geschrokken opzij had gekeken. Daar zag hij Beppe Saronni naast zijn fiets staan. ‘Die is gevallen, dacht ik.' Maar toen hij diens knechten zag lachen, wist Pirard het weer. Saronni, een paar dagen eerder nog winnaar van de Waalse Pijl, had geen zin zichzelf in dit hondenweer te geselen en maakte rechtsomkeert. Dat betekende een vrije dag voor zijn knechten. Pirard: ‘Er werd niet gewonnen maar reken maar dat het bij de Italianen groot feest was.' Saronni was niet de enige die er de brui aan gaf. Toen Zoetemelk lek reed, weigerde hij een wiel aan te nemen van zijn knecht Stefan Mutter. ‘Joop schudde een meter op en neer van de kou. Dat was maar een dun ventje en had niet zoveel vet op de botten als wij', vertelt Pirard. Na honderd kilometer hadden al 110 van de 174 renners de strijd gestaakt. Ze zaten in het bos bij een houtvuurtje, vluchtten vloekend en huilend volgauto 's in en zochten huizen, portieken en benzinestations op om lijf en leden te laten ontdooien. Bert Pronk haalde de finish niet maar was dolgelukkig dat hij 's ochtends een fles cognac in zijn achterzak had gestoken. ‘Je voelt na een slok het bloed tenminste weer stromen', zei hij die avond tegen verslaggevers. Ruud Bakker, verzorger van de Raleigh-ploeg, deed cherrybrandy en antigrippine in de thee van de renners ‘om de kachel op te stoken'.

Moraal
Henk Lubberding, een van de laatste achtervolgers van Hinault, werd er doodziek van en moest uren later in de laatste klim naar boven worden geduwd door Mutter. Lubberding was liever afgestapt, maar reed door omdat het parcours de kortste weg naar de finish was. Jonkers had het achter in het peloton allemaal jaloers aangezien. Als de grote renners ‘verse' handschoenen kregen aangereikt, keek hij naar zijn eigen blauw geworden vingers. Hij was zonder beschermende kleding gestart. Want hoe slechter de omstandigheden, hoe groter zijn moraal. Dat het zo uit de hand zou lopen, kon hij toch ook niet weten? ‘Ik moest remmen en schakelen met mijn polsen.' Bij het nietige Boston stond hij er helemaal alleen voor, zijn ploegmaats waren allang afgestapt. Een moord zou hij hebben gedaan voor een kruik warme thee. Maar van zijn ploegleider had hij niets te verwachten. Welgeteld een keer draaide Robert Lauwers zijn raampje open: ‘Allez courage Jan!' Maar omdat de kou op zijn stem sloeg, bleef het raam de rest van de dag gesloten.

Hinault

Voor Pirard, een jaar eerder nog knecht van Zoetemelk, ging het er al niet anders aan toe. Zijn Franse ploegmaats hielden niet van klassiekers, vertelt hij. Dus kon Pirard bij Miko-Mercier zijn gang gaan. Op steun hoefde hij niet te rekenen. ‘Ik heb in mijn broek geplast om het warm te krijgen. Niet een keer, meerdere malen. Dat was tenminste iets. Zo gek vond ik dat toen ook niet.' Pirard was tweedejaars prof en die dachten er helemaal niet bij na om in een grote klassieker op te geven. Hiervoor had hij het immers allemaal gedaan. ‘Je neemt de koers zoals ze komt', zegt Jonkers. ‘Afstappen is geen moment in me opgekomen. Ik ging liever dood dan dat ik daar aan dacht.' Op 20 april 1980 was er maar één remedie tegen de kou, vertelt Hinault altijd als ze hem ernaar vragen. ‘Ik voelde een diep verlangen in me op komen. Er maakte zich een vreemde drift, een soort vervoering van mij meester. Als je hard op kop gaat fietsen, vergeet je alle ellende. Sommige renners schijnen dat vergeten te zijn.' De Fransman voegde de daad bij het woord. Velen beweren dat Zoetemelk aan die voorjaarsexplosie van Hinault zijn Touroverwinning van 1980 dankt. In zijn overmoed en eerzucht zou zijn grootste concurrent er zijn knieën aan gort hebben gereden. Want nooit maakte Hinault zoveel indruk als die dag, zeggen de getuigen. Halverwege had hij er nog de brui aan willen geven. Maar toen in Vielsalm een zonnestraal zijn gemoed verwarmde, zette hij door. Ploegleider Guimard kwam naast hem rijden en zei: ‘Trek je regenjasje uit, stroop de mouwen op, de koers kan beginnen.' Zijn kopman trok een droge trui en handschoenen aan, zette een rode bivakmuts op en begon als een bouwvakker te eten. Lubberding zag het, maar begreep pas wat dat betekende toen zijn eigen handen te bevroren waren om nog iets uit zijn achterzak te halen. Hinault had energie gestapeld om al op de Côte de Stockeu te kunnen beginnen aan zijn triomftocht. Negentig kilometer lang reed hij alleen aan de leiding. In Luik had Hennie Kuiper, de nummer twee, een achterstand van meer dan negen minuten. De Noor Willman, 21ste en laatste, verloor bijna een half uur. Met veel pijn en moeite kreeg Hinault aan de aankomst zijn witte, uitgebeten vingers uit de rubberen handschoenen gewurmd. Nog altijd kunnen zijn handen de kou slecht verdragen. Als het vriest, moet hij handschoenen dragen om op zijn boerderij het werk te kunnen doen. ‘Ach, dat is het leven', reageert hij steevast. ‘Er zijn mensen die in de fabriek werken en hun vingers kwijtraken. Ik heb niets om over te klagen.' Jonkers had maanden last van tintelende vingers. Nooit meer heeft hi na die wedstrijd zonder handschoenen kunnen fietsen. ‘Ik denk dat iedereen die in Luik de finish heeft gehaald het een en ander kapot heeft gereden in zijn lichaam.' Pirard zegt zich er niets van te herinneren. ‘Hinault schreef die dag geschiedenis, ik werd maar negentiende, van de 21 nota bene. Wat moet ik daar verder van onthouden?'

© Volkskrant

dehardloopkrant.nl ®


© maart 2000. Dit is een product van Running&Sound
info@sportpresentatie.nl